Zoek
August 2016
M T W T F S S
« Apr    
1234567
891011121314
15161718192021
22232425262728
293031  

Vandaag zag ik de zon

Op weg naar Lelystad. Blij met de warmte van de zon na een rotte nacht met nare dromen, veel gewoel en weinig slaap. De Ketelbrug gaat open. Ik zet de motor uit. Ik kijk naar links en zie de zon.

2015-04-13 11.55.20

Vandaag zag ik twee eendjes

Hun grote oranje voeten kletsen op de tegels van de stoep. Ze lopen samen, het vrouwtje voorop. Bij de kaderand aangekomen aarzelt zij. Ze steekt haar hoofd naar voren, snavel ietsje naar beneden, als gaf ze de richting van haar duikvlucht aan. Ze wacht.

Het schelle licht ketst af op het witte lijf van haar man. De oranjegele snavel wedijvert met de zon: wie de mooiste kleuren toont, die wint.  Hij komt langszij gewaggeld. Aarzelt ook. Kijkt opzij, om moed te putten uit dat ze samen gaan?

Daar gaan ze! Zij toch eerst, en vlak erachteraan komt hij.

Ik zie het niet, maar in mijn hoofd verdwijnt eerst zij, dan hij met t koppie onder water,  het lijfje volgt, de pootjes uitgestrekt er achteraan. Met een sprongetje veren ze boven de waterspiegel uit en landen zacht en precies zoals het lekker drijft. Als de pingpongbal die je als kind even onderwater hield in bad en verwachtingsvol weer los liet. De dikke, bijna stroperige druppels water rollen langzaam van de kopjes in de kuiltjes tussen nek en rug. Een druppel van een snavel breekt het spiegelgladde oppervlak dat is ontstaan tussen de rimpelingen die ze samen net veroorzaakt hebben. Even nog de veertjes goed: kop in ‘t water, schuddend weer naar boven, en met de natte snavel even langs de vleugels strijken. Zo. Klaar. Waar zullen we eens heen?

En ik sta naast mijn auto, t portier nog in mijn hand, te dromen van hoe het verder ging.

Vrij

Gisteren. 12 april. 70 jaar nadat Groningen bevrijd werd van de Duitse bezetting sta ik op de A-weg. Langs mij rijden tanks, jeeps, motoren. Legergroen. Bestuurd en bijgereden door jonge jongens. In moderne tenues. Ik kijk. Ik film. In de verte hoor ik doedelzakken. Dichtbij zwaait een dame in een moderne jas naar me. Ze mocht waarschijnlijk meerijden omdat ze zo prachtig is. Ze zwaait naar iedereen. Bijna niemand zwaait terug. Ik schaam me een beetje dat ik niet zwaai. Dit is de bevrijding! Dit is een toneelstuk. In gedachten zie ik de polygoonbeelden. Drommen mensen met papieren rood-wit-blauwe vlaggetjes op oranje stokjes. Vrolijke veel te getraumatiseerde mensen. Kale hoofden op praalwagens. In mijn hart huil ik. Om de soldaten die hun leven gegeven hebben. Om de soldaten die kapot naar huis toe keerden. Om families die uiteengerukt zijn. Om de ‘slechten’ die de verkeerde kant op gingen en niemand hadden om hen te helpen. Om de laffe begroeting van de tocht. En van ontroering wanneer ik me inleef hoe het geweest heeft kunnen zijn, 70 jaar geleden.

~

Er werd me gevraagd een aantal weken gelden hoe ik ervaar. Moeilijke vraag. Eenvoudig antwoord. Ik leef me in. Ik ken betekenis toe aan gebeurtenissen door me een voorstelling te maken van hoe ik dat zou ervaren, wat ik zou doen, wat ik zou denken of voelen. Ik dacht dat iedereen dat deed. Net als situaties van alle kanten bekijken en proberen je in te leven in alle personen die daartoe bijdragen. Neem het lezen van de Telegraaf. Of neem Theo van Gogh. Of pesten. Als er twee kanten zijn dan kun je ervoor kiezen om beide kanten te zien en je in beide partijen in te voelen.

Wat heeft het voor zin? Voor mij wordt mijn wereld minder nauw. Ook Telegraaflezers en Telegraafhaters zijn mensen. Met hun eigen mensenwensen. Pesters (of terroristen) hebben een reden om te doen wat ze doen. Ik keur het niet goed, ik probeer het te voelen. Mijn pesters waren in de meerderheid. Mijn pesters speelden een thuiswedstrijd. Mijn pesters werden fysiek terwijl ze groter en sterker waren dan ik. Ze verschuilden zich in de groep. Ik was bang voor ze en kwaad op ze. Zij hadden op een andere manier hun onvrede kenbaar kunnen maken. En ik overigens ook. Pas toen ik me geen slachtoffer meer voelde maar onderdeel en een van de oorzaken van de jaren lange escalatie, werd ik vrij.

~

Ik leef me in. Ook in slachtoffers van de Tsunami. In mensen die auto-ongelukken veroorzaken. In kinderen die niet naar school kunnen. In bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen. Het is als een boek lezen, waarin je andere ervaringen leert kennen dan wat je tot nu toe hebt verzameld. Waarin gedachtegangen van bijfiguren zo prachtig zijn dat ze blijven hangen. Waarin oordeelloos relaas gedaan wordt van hoekige gebeurtenissen dat niet meer van je netvlies verdwijnt. Waarin beschrijvingen je anders naar je eigen wereld laten kijken.

De Dalai Lama zei (hoorde ik via-via): ‘Wat mij gelukkig maakt is me inleven in het leed van anderen en dan bedenken hoe ik dat kan verlichten.’ Ik probeer een citaat te vinden in deze richting en lees over en van de Dalai Lama. In sommige dingen zijn we hetzelfde. En het is mooi dat hij dat ook vindt.

Het is voor mij een nieuwe gedachte. Gelukkig worden van te bedenken hoe je een ander kunt helpen zijn leed te verzachten. En dan stoppen. Dat ga ik uitproberen. Doe je mee?

 

Wakker

Ik word wakker. Het is donker. Half 6. Buiten een orkest van vogels. Ze roepen naar elkaar. ‘Goeie morgen’ En naar de zon. ‘Kom nou!’ Ik lees het nieuws op mijn telefoon. De moed zakt me in de schoenen. Wat maken we er toch een zootje van. Ik leg de telefoon weg en laat me toedekken door het zingen van de vogels buiten.

Zo heerlijk loom in bed. Als ik weet dat ik nog niet opstaan zal. En misschien nog even verder slaap zo meteen. Een gat in een mooie dag. Of toch maar opsta. Of dat ik het niet weet. En het ook niet hoef te weten.

Ik besluit om de dag te beginnen. Kopje koffie. Katten een aai. Die kleine komt net uit mijn bed. De grote even opgepakt. Ik geef mijn plantjes water. Bijna alles is ontsproten! Ik zie overal kleine groene puntjes. Mijn boontjes en aardbeien laten zich trouwens nog niet zien. De basilicum, de komkommer en de courgette zijn nieuwsgierig. Koppies uit de grond en kijken. De katten trouwens ook. Meteen allebei op tafel als ik met de waterkan aankom.  Twee dikke harige beoorde hoofden die het ijle straaltje water blokkeren. Gelijk hun neus in de aarde als het vochtig wordt. Sufferds. Ga weg. Glimlach.

Het had een zonnige dag kunnen zijn. Dat het dat niet is maakt niet uit. In mijn hoofd schijnt de zon. Weerkaatst het licht op de bladeren van de trompetboom. Glinstert het water in de sluis. Bloeien de bloemen in de tuin. Het is Lente! Niet alleen ik ben wakker, de wereld ook. De weilanden, de bossen, de heide. De zee. En zelfs de stad voelt de lente. Ik ga naar buiten vandaag.

Poes

De loomheid van het poezenleven

 

Het zachtjes spinnen als mijn hand

haar flank beroert terwijl zij slaapt.

Pootjes rennen, ‘t bekkie trekt

z’ ontspant bij ‘t noemen van haar naam.

Zo licht en slank haar leven

en vol tevredenheid.

 

Als ik toch een poesje was

dan lag ik altijd zoals zij,

in dromen muizen vangend

dan wakend uit mijn bakje

de beste vleesjes kiezen

die ik niet zelf vangen hoef.

 

 

To live or to die

Muziek is een van de mooiste dingen die er zijn. Het kan me meevoeren en troosten, optillen en weer terugzetten. Een noot kan zo mooi gezongen worden dat de tranen me in de ogen springen. Ik denk aan de prachtige toon in het Requiem van Faure, in het Pie Jesu wanner die zonder trilling door de ruimte glijdt. Een tekst kan me roeren (ik denk aan Asaf Avidan, wanneer hij zingt over dat de sonates of beethoven nog door je heupen rollen) of doen smelten (with your panties in your hair). En the blue raincoat is boven alles wonderlijk. Als je dat schrijven of zingen kan dan moet je wel gelukkig zijn.

~

Heel lang geleden heb ik eens een liedje geschreven samen met G, mijn eerste levensgezel. Vijftien jaar zijn we bij elkaar geweest. In voor- en tegenspoed. De tegenspoed nekte ons. Er was teveel dat we niet deelden. Ik kan niet voor hem spreken. Ik heb aangenomen dat hij vond/voelde/dacht/nodig had… Je kent het, misschien. Zeker als je zo lang samen bent en zo weinig weet over jezelf is het makkelijk om in te vullen. Je kent elkaar immers door en door. Hij kende mij. Hij kende mijn familie. Hij kende mijn school, mijn terroristen, mijn angstgegners. Hij kende Wisje.

Wisje is dat lieve kleine bolletje van Clemens aan het eind van de straat, helemaal bij de brug. Auke had het in zijn armen toen we met grote blauwe ogen opkeken naar onze papa en mama en vroegen ‘Mogen we het houden?’ Het diertje was 6 weken oud.

In de jaren dat zij bij ons woonde kwamen en gingen andere katten, honden, konijnen, cavia’s, zelfs een kraai. Maar Wisje bleef. Wisje werd niet overreden, kreeg geen mixomatose, werd niet geveld door moeilijke ziektes. Wisje was er. Wisje kon bij haar etensbakje staan en tegen mijn moeder zeggen ‘Miauw’. In mijn moeders oren klonk dat precies als haar naam: ‘Elle’. (Ik hoorde het ook, kan het zelfs nog nadoen, al hoort dan iedereen Miauw. Alleen wij horen ‘Elle’.)

De katten hadden een rode emmer waarin hun eten zat. En de konijnen ook. De emmers stonden naast elkaar. Auke en ik aten wel eens uit de emmers. De Dokat was vies en saai. De glimmende stukjes geperst (ja, wat was het eigenlijk) konijnenvoer waren heerlijk. Ik kon met mijn tanden aan het ruwe stukje aan de zijkant schrapen. Dan kwam er steeds iets meligs en iets zoetigs af. Dat glimmende was ook dat zoete. Ik weet het zeker!

Toen Wisje bij mij en G in Groningen woonde (ze was toen 17) was ze gek op Robert. Robert had lange benen. Veel schoot! En niet zoveel vlees, dus als ze haar nagels in het been sloeg had ze meteen grip. Voor een lichtelijk wankelende kat is dat heel fijn. Robert was minder gek op Wisje dan andersom. G en ik hebben een liedje geschreven voor Wisje. Erg vriendelijk was het niet. Respectvol wel. We voelden mee met Robert en hielden van Wisje. Ze is ondanks dat liedje toch nog 21 jaar geworden. Elk jaar dat ze leefde werd ze een beetje chagrijniger. Wisje was een van de vaste factoren in mijn leven. Ze bepaalde de grenzen van mijn bestaan.

~

Ik ben al even vol van een aantal liedjes van Chaya (Reach, True Colors). Zij zingt in die liedjes over haar liefde voor God. Of eigenlijk voor Jezus. Ontroerend. Ik denk aan mijn vader als ik hoor hoe zij zingt. Ik hou ook zo van mijn vader. Nu ik dit opschrijf bedenk ik dat ik van mijn broer en van mijn moeder en van Hein net zo houd. Niet hoe Jezus van haar houdt, want dat is niet zo bijzonder. Hoe zij van hem houdt. Hij is er. Altijd. Omdat hij onderdeel van haar is. Net als dat Auke, Elle, Hein en Hert dan van mij zijn.

Hoe komt het dat zij meer van hem houdt dan hij van haar? Ik heb geen idee. Zij ziet het anders. Zij voelt dat hij meer van haar houdt dan zij van hem. Hij is immers voor haar gestorven. Sterven: is dat niet juist makkelijk? Als je sterft is al het gedoe voorbij. Wat nou als iemand zegt: ik ben voor je blijven leven. Dat is romantiek, dat is liefde, dat is het ultieme offer.

Avondje pret

Gisteren bleek de CV-ketel het niet te doen. Waarschijnlijk al twee dagen. Ik merk niks: ik werk, ga naar bed, sta op, werk, ga sporten, werk, ga naar bed. Je hebt soms van die dagen. Mijn werkkamer verwarm ik elektrisch, en douchen kan ook op de sportschool. Onhandig is t wel: hoe moet dat dan op zaterdagmiddag als de sportschool dicht is? Toch de huisbaas maar bellen. Blijken ze ook op zaterdag langs te komen. Binnen 5 minuten was het klaar: zekeringetje vervangen. Ik vraag de monteur: oh, waar dan? Dan kan ik het volgende keer zelf. Maar dat mocht niet. Ik denk dat hij de TL-balk op de rand van mijn aquarium met open dak zag liggen. Hij weet natuurlijk niet dat ik het bedekt heb met plexiglas en zorgvuldig dichtgekit heb.

Vandaag was ik wel blij dat ik zelf niks gedaan heb met de CV-ketel. Om half 4, ik zit rustig te werken, slaat opeens alles uit: computer, vissenlamp, kachels, muziek, waterkoker. Ik kijk in de stoppenkast: alle aardleks staan nog omhoog (dat betekent dus: niks aan de hand, werk maar door). Is een beetje moeilijk zonder stroom en internet. Geen internet? Geen internet! Een raadsel: waarom is er geen stop gesprongen en is toch alles uit? Ik bel aan bij de buurman. De bel gaat over. Hij heeft er dus geen last van. Niet alleen een raadsel, maar ook bijzonder onhandig: ik ben tussen het werken door via twitter met KLM in conclaaf over dat ik niet kan inloggen op hun website en dat ik zonder inloggen geen tickets kan bestellen. En andersom. Ja, het is een stroperig gesprek.

Ik heb dan geen internet, maar wel een grote hoofdschakelaar, zie ik opeens. Die wijst naar beneden. Kijk, die kan weer de andere kant op. Oh nee, toch niet. De knop springt meteen weer terug. En als ik de groepsschakelaars uitzet? En dan alles uit de contactdozen. Daarna de schakelaars allemaal aan. Ja! Ik heb het voor elkaar! Tot drie keer toe heb ik het voor elkaar, want periodiek valt alles uit. Ik vrees voor mijn computer. Wellicht kan die er beter mee omgaan dan ikzelf: dat apparaat heeft immers geen humeur. Ik ondertussen wel.

Na anderhalf uur proberen ben ik helemaal doorgestresst en confuus: welke apparaten horen nou bij welke groep? Wat heb ik nou in en uitgeplugd? Zit er een timer op de hoofdschakelaar? Zelfs papa bellen biedt geen soelaas. Met mijn handen in mijn haar ga ik me afreageren op de sportschool. Over een uur zie ik wel weer verder.

Ben wat huiverig voor douchen, thuis. De CV-ketel zit op een vrij stabiele groep, maar je kent het: nét shampoo in je haar… muntjes op! Ik gok het erop en het zit mee. Om 19:22 pak ik mijn schriftje en een goed schrijvende pen. Ik ga precies opschrijven wat ik doe. Wat staat er aan, in welke volgorde zet ik de groepsschakelaars om? Hoeveel keer draai ik mijn duimen om elkaar heen tussendoor, en hoe vaak ga ik op 1 been staan? Het blijft tenslotte magie. Na enige tijd zijn alle groepen aan maar doet de elektriciteit in de helft van mijn huis t niet. Ik steek schroevendraaiers (spanningzoekers) in contactdozen alsof ik een natuurtalent ben. Dood. Nee, ik niet, de elektriciteit. Raden waar? Keuken, werkkamer, douche, wc en gang. Ha! Gang maakt niet uit. Dat licht doet het al maanden niet! En douchen bij kaarslicht is helemaal in tegenwoordig.

Weer papa bellen. ‘Is het gevaarlijk?’ Hij stelt me gerust. Zolang t niet werkt terwijl t wel moet werken is dat beter dan andersom. Maar bel toch maar even met de huisbaas. Mijn verhaal blijkt voor de verhuurder interessant genoeg om door te vragen en mijn antwoorden concreet genoeg om daar weer mee op te houden. Een monteur neemt contact met me op. Een kwartier later heb ik twee gemiste berichten. Korte tijd geen signaal gehad. Beller heeft geen voicemail ingesproken. Murphy schiet door mijn gedachten. Ik bel nogmaals met Susanne Noord (zo heet de vice-huismeester). Ja, dat klopt, de monteur heeft me gebeld. Ze gaat hem vragen nogmaals te bellen. Ik zit naast de telefoon als een bakvisje van 15 die op het telefoontje van haar eerste aanbidder wacht. De monteur stelt voor om morgenochtend om 8 uur te komen. Of moet het vandaag nog mevrouw? Ja, nee, moeten, moeten… Moeten is een groot woord.

Ik overweeg mijn computer naar het licht en de warmte in mijn woonkamer te slepen. Ik zie er tegenop. Je weet hoe dat gaat. Duurt uren voordat je weer internet hebt. Mijn vader biedt aan te komen helpen, mijn liefje lacht me uit. ‘Het is geen negentiendrieënnegentig meer’, had hij kunnen zeggen. En gelijk heeft hij. ‘In 10 minuten ben je klaar.’ Met mijn zaklamp kruip ik onder de tafel om uit de warboel van snoeren een aantal relevante te ontstrengelen. Een arm vol neem ik vast mee. Mijn scherm verhuist als tweede en dan nog de kast. Terwijl ik hem oppak laat het voorpaneel los. Het ding stuitert op de grond, net naast t kleed. Au! Als er pindakaas op zat, was het kleed de dupe geweest. Morgen even naar Norrod. Er zijn wat contacten losgetrokken en draden gebroken die ergens voor zijn. Denk ik. Bij de aan-/uitknop. Zal ik de harde schijf eruit schroeven (klikken, het is ondertussen 2015) zodat ik verder kan gaan waar ik was gebleven? Ik ga even zitten. Nu kan ik twee dingen doen: opgeven en me bezatten of het licht en de warmte naar de overgebleven computer brengen. Ik blijf nog even zitten. Denk aan de boterham van Murphy en besluit me niet te laten kennen.

Charlie

Toen ik naar Haren fietste ‘the day after’ voelde ik me vrij belachelijk, met mijn schepje achterop gebonden en mijn emmertje aan t stuur. Waarom ging ik? Ik vind het belangrijk.

Er is niet veel dat me aan het leven bindt. Ik heb geen verantwoordelijkheden: behoeftige ouders noch kwetsbare kinderen. Er zijn geen dingen die ik nog wil doen voor ik dood ga. Er is geen zingeving of verlichting die ik bereiken moet voor ik sterf. Ik hoef niet op aarde te blijven om de wereld te redden of onrecht recht te zetten.

Maar als ik hier toch ben, zal ik protesteren tegen overtuiging. Overtuiging van automobilisten die vinden dat andere automobilisten niet kunnen rijden waardoor zij minder rechten hebben op de weg. Tegen tunnelvisie van hoogleraren die geventileerd wordt als de waarheid, tegen kortzichtigheid van mensen die zich weigeren te verplaatsen in anderen en tegen de absurditeit van -isme’s.

Hoe kun je nou uit naam van wat dan ook het leven van een ander toetakelen? Ik ben ook Charlie. En dus vanavond op de markt. En alweer voel ik me er vrij belachelijk onder, omdat het niet mijn manier van protesteren is. Ik zou er liever over schrijven of om huilen. Waarom ga ik dan naar de markt? Mijn schrijven is niet zichtbaar. Huilen ook niet. Op de markt ben ik een van de punten uit de lijnen van de tekening.

2015

Ik heb genoeg angsten. Bijvoorbeeld om op 31 december over straat te gaan. ‘s Nachts. Dat geldt ook voor Koninginnedag trouwens. Teveel mensen met teveel grenzeloosheid. En teveel drank. Dit jaar bleek het weer een onzinnige angst te zijn. Wat ik zie is lief en zacht en vriendelijk. Dat is elk jaar zo. Ik heb nog nooit iets vervelends meegemaakt met oudejaarsavond of Koninginnenacht.

Een andere is het zwaard van Damocles dat de eerste dagen van dit jaar boven mijn hoofd heeft gehangen. Ik word wakker op 1 januari en het eerste dat ik denk is: dit is het jaar van het verlies.

Luguber. Ik ken nooit waarde toe aan voorspellingen. Vind ik ook dom, want hoe vaker ik het denk, hoe meer t waar wordt en hoe meer er in t vakje verlies past. Toch blijft dit gevoel hangen, ook nadat de alcohol mijn lichaam heeft verlaten. Als je me kent zul je weten dat ik niet rust voordat ik van een rotsituatie iets positiefs gemaakt heb. Dit zwaard is wel een harde dobber. Ik kom niet goed uit het zwarte gat. Ik worstel en zak dieper weg. Ik worstel harder. Ik vecht ermee. Word in mootjes gehakt. Lap mezelf weer op. Knap weer af.

Na vier dagen heb ik het gevonden: dit is het jaar van het mezelf verliezen in lachen. Hoe kom ik daarop? Luister:

Ik zit aan tafel met de ene kat tegen me aan en de ander vlakbij. Ze spinnen en kijken me af en toe lodderig aan. Ik kroel er eens een achter de oren en daarna de ander ook maar meteen, want iedereen is immers altijd even lief. En evenwicht moet er zijn. Ze zijn warm en zacht. Ik heb een van mijn vrienden aan de lijn.

[… begin van het gesprek weggeknipt …]
– Ik heb toch echt twee heerlijke poekies!
– Ja dat klopt. En dik ook.
– Dik???
– Ja best wel.
– Dat snap ik niet. Ik vroeg je een tijd geleden of snorretje niet te dik was, en toen zei je van niet. Is hij nu dan te dik?
– Oh, ik dacht dat je het over je borsten had.

Ik hou best van een stijlbreuk, maar hierbij kon ik me niet inhouden. Mijn lach buldert over de tafel, door de lijn, over de wereld, door de lucht, voorbij god en hemel, ketst af op de ringen van Saturnus, en dwarrelt dan weer richting zon. Ik lach elke keer als ik eraan denk. En elke keer als ik denk aan hoe intens en compleet verrast ik was en hoe zich dat vertaalde in mijn lach, breekt er weer een lach door.

Bij nader inzien heb ik wel zin in komend jaar.

 

 

Zakdoek

Al een aantal weken schaam ik me als ik met t Alfaatje door t land rijd. De aanblik van uitgestrekte velden met of zonder windmolens, overwaaid door stevige winden, of van de meren die bedekt met dunne laagjes engelenhaar een stilleven vormen wordt woest verstoord door ons voorbijgaan. Ze spuugt grote zwarte wolken uit in het prille winterlandschap.

Wat is er aan de hand? Is dit haar wraak omdat ik haar Sufpik noem? Ja, Beertje is misschien beter, maar die naam is voor een busje heel lang geleden. Of Slak (een busje met een hoog ruggetje). Of Peu Chaud-je (zie hier). Itroentje (voor de Citroen waar de ‘c’ afgevallen was). Eigenlijk allemaal beter. Maar geen van deze is van toepassing op Sufpik.

Ze heeft wel de mooiste claxon van de wereld. Afgelopen zomer bleek dat de tuuter het soms wel en soms niet deed. Na het starten moest ik op t stuur slaan tot ik een klein geluidje hoorde. Daarna kon ik tuuteren wat ik wou zolang de motor draaide. Natuurlijk moet je dat testen. Als er geen auto’s in de buurt waren, dan drukte ik snel even op het stuur om te zien of Sufpik nog kon zingen. Meestal wel.

Zo’n tuuter is niet handig. Bovendien is het een APK-eis dat de auto ‘een werkende claxon’ heeft. Aha! Een werkende claxon betekent niet dat de originele tuuter het moet doen. Pa en ik op zoek naar een mooie grote knop. Een knop die bij spelshows gebruikt wordt: Knal! ‘Stop de tijd!’ De knop hangt nu in de auto. Met tweezijdig kleef (en een beetje spuug) bevestigd op een plastic afvoerpijp die weer in een aluminium bakje geklemd zit. Dit alles aan de voorruit geplakt met een telefoonhouder. Een snoertje vanaf het dashboard via de binnenkant van het spatbord verbindt de knop met de accu en de nieuwe claxon. Vergeef me dat ik wel eens tuuter terwijl t niet hoeft.

Nu is ze voor de keuring geweest. Ik verkneukelde me om de monteur die de knop zou zien, zou denken: ‘Huh? Wat is dat?’ en er voorzichtig op zou drukken. Ik zie hoe hij met zijn hoofd het dak raakt van schrik. Als een poesje dat aan een glas sprankelende wijn ruikt. Snoet er naartoe, snuffel snuffel, belletje springt open, roetsj, dikke staart en snel van de tafel af. Of zoals toen ik een film keek met Hein. Het was in de negentiger jaren. We zaten samen thee te drinken op de bank. Ik zei: ‘Oh nu wordt t heel spannend, ik zet snel mijn thee neer’. Maar mijn ogen zaten vast aan het beeld. Ik bewoog niet. Tot de spanning zich ophoopte en meteen ontlaadde bij de een of andere plotselinge verschijning terwijl de thee over de bank spoelde.

De garage belde me om te vragen of ze een luchtding konden vervangen om het walmen te voorkomen. Ik dacht nog: kunnen we geen zakdoek om de uitlaat doen. Zo’n mooie geruite, ouderwetse. Met een breed elastiek.

Statistical data collected by Statpress SEOlution (blogcraft).