Stroomstoring Groningen: een zoen
Om even na zessen op donderdag knippert ons licht. Het gaat weer aan. Aan de overkant van de straat is het donker. Raar is dat.
Rond zevenen gaat bij ons ook het licht uit. Ik loop op de tast naar de WC, pak een doosje lucifers dat daar ligt, voel waar de kaars in de studeerkamer staat en steek de kaars aan. Ik denk aan de bovenburen. Ik zeg tegen Hedzer dat ik even ga kijken bij ze. Geen idee waarom precies. Ze zijn oud. Tachtig gemiddeld. Hij iets ouder, zij iets jonger.
Hij heeft me bootjes zien bouwen in de tuin jaren geleden. Hij kwam met een bouwpakket aan dat hij nog had. Hebben we samen over gepraat. Als ik een fikkie maak in de tuin halen ze snel de was binnen, en dan vraagt zij aan Hedzer: “Jouw vrouw mag wel graag vuur maken hè?” Ik ben nog eens bij ze langs geweest. Geen idee waarom. Oh ja, er was een pakketje afgeleverd bij hun voor ons. Lieve mensen. Geen ouwe-zeurderigheid, geen kouwe kak, geen van de vooroordelen die ik bij oude mensen heb, hebben ze waargemaakt.
Ik bel aan. Hoor gestommel in de gang. Hou de kaars bij mijn gezicht, zodat ze me kunnen herkennen. De sleutel wordt eerst een paar maal naast het slot gestoken, en dan is het raak. De deur gaat open. Ik zeg: ‘Dag buurvrouw. Ik kwam even kijken of alles in orde was met u.’
Ze gaat me voor naar de kamer. Er brand een kaarsje. Haar man is er niet. Ze zegt: “Ik ben zo blij dat je er bent! Dit is nu echt teveel hoor!” Ze legt me uit dat haar man al 12 dagen in het ziekenhuis ligt. Best ernstig. Dat ze hem vandaag niet heeft kunnen bezoeken, omdat haar zoon haar niet kon komen halen (die woont buiten de stad) en dat nu ook nog het licht uit valt en de telefoon. Ze was net met het ziekenhuis aan de lijn. Ik blijf een uurtje bij haar zitten. We praten over haar en mij, haar familie en mijn familie. Ze vraagt naar mijn werk. Ik geef haar mijn telefoonnummer voor in noodgevallen en vraag of ze nog boodschappen nodig heeft. Ik vertel haar dat ik naar huis ga, maar over een uurtje nog even bij haar kom kijken.
Ze is me onredelijk dankbaar. Ik voel me haast onprettig. Maar als ik denk aan de momenten dat het mij teveel is en dat er iemand even de tijd neemt om me over mijn bol te strijken, dan snap ik het wel. Ik zeg: “Daar zijn we buren voor, toch?” Op dat moment floept het licht aan. Buurvrouw is zo blij dat ze de tranen in de ogen heeft staan. Bij de deur trekt ze me met een arm naar zich toe en geeft me een zoen op mijn wang.
Thuis vertel ik Hedzer over het gesprek en over haar en haar man. Over haar leven en wat ze vroeg over ons leven. Hij vraagt me “Hoe heet ze?” Ik zeg: “Mevrouw van der Werf”. We lachen om de kloof tussen hoe dat klinkt en de intimiteit van het gesprek dat we hadden. Ook van Hedzer krijg ik een zoen. Ik ben zijn mooie meissie.
Stroomstoring: wanneer weer?