Zoek
March 2010
M T W T F S S
« Feb   Apr »
1234567
891011121314
15161718192021
22232425262728
293031  

PostHeaderIcon 4:20 per minuut

De coach vertelt ons dat we 5 kilometer op wedstrijdtempo gaan roeien. En het is de bedoeling dat we dat zonder inhouden doen. Hij heeft liever dat we na 2 kilometer uitvallen dan dat we na 5 kilometer nog wat over hebben. We mogen ook niet precies uitkomen.

We beginnen langzaam, maar bouwen op. Na een tijdje zitten we in cadans. Het is wel zwaar, maar het valt mee. Ik weet dat 5 kilometer hartstikke ver is, ik maak me geen zorgen, halverwege zal ik wel kapot zijn.

Het valt nog steeds mee. We roeien op rustig tempo. De slag houd het tempo strak op 24. Dat betekent dat we het lang kunnen volhouden, maar ook dat we net niet in de cadans kunnen blijven. Als we echt lekker roeien schieten we naar 26. Na een kilometer roept de coach: ’4:20 per minuut’. Ik baal. Dat is echt heel langzaam. We hebben wind mee.

Ik wil harder, we gaan harder, maar we zakken vrij snel terug. Ik probeer nog te stimuleren met ‘lekker gaatie zo!’ maar het heeft geen effect. Ik weet niet zo goed hoe ik mijn kracht kwijt moet. Ik wil het tempo omhoog. Maar ik ben geen slag, dus ik heb niks te willen.

Na 3 kilometer zegt de stuur: ‘kilometer 3 zit er bijna op’. Ik zeg (ja, ik had al geen adem meer mogen over hebben) ‘vier hoop ik?’ En de stuur is overrompeld en zegt: ‘ja vier’. Ik ga harder trappen. Nog een kilometer. Na 350 meter (iets meer dan een alfabet trappen) zegt hij: ‘we zijn over de helft!’ en ik geef op.

Besluit toch weer om door te gaan. We trappen nog steeds 4:20. Ik baal. We zijn echt te langzaam. We zijn geen Head-ploeg! We moeten harder! Dan maar kapot voor ik de finish over ben. Ik ben wel bang om de eerste te zijn die niet meer kan. Ik ben de ouwe knar in de boot en mijn conditie is niet je van het. Mijn doorzettingsvermogen daarentegen piekt redelijk vaak. Ik begin te tellen. Elk alfabet is 1 minuut, is 250 meter als we op tempo varen. Ongeveer 10 meter per haal. Oprijden, inpikken, voelen, trappen, uittikken, A, oprijden, inpikken, voelen, trappen, uittikken, B, oprijden… Soms verval ik in tellen tot 10. Meestal merk ik dat pas nadat ik bij F ben geweest. Waarom daar? Ik associeer en trap.

De stuur zegt: nog 250 meter. Ik trap harder. Ik denk: nog 1 alfabet. Ik heb al geprobeerd ze achterstevoren ook te doen, als afwisseling. Maar dat is te ingewikkeld. De laatste 15 halen trap ik alsof mijn leven er vanaf hangt. Ik ben Navratilova. Ik kreun mijn voeten van me af, ik steun mijzelf in mijn rugswing, ik hijg mijn handen naar voren. Ik explodeer in de tweede beentrap. We halen de finish makkelijk.

Blijkt dat we in de laatste sprint op 3:50 per kilometer zaten. Dat is 30 seconden per kilometer sneller. We krijgen op onze kop. ‘Volgende keer graag beginnen op 3:50 per kilometer, en ga dan maar kapot, maar dan heb je je maximum tenminste gehad.’

Als ik bedenk hoe ik over de  finish kom bij races, dan weet ik dat ik meer kan dan dit. Ik ga er de volgende keer helemaal voor! Ja coach… nee coach… Ik zal het doen coach… Wat is het ook een schat!

Leave a Reply