Archive for April, 2010
Paaltje!
Soms is mijn glas half vol, soms is het half leeg. De ene dag pas ik wel in die broek en de andere dag verzuip ik erin. Of ik bent opeens te dik. Het regent al dagen en de buienradar zegt dat het in ieder geval nog 2 uur door zal regenen. Ik denk aan mijn plantjes en hoop dat ik me beter zal voelen. Nee. Lukt niet.
Soms, als het glas halfvol is, en ik een opdracht krijg die ik niet verwacht had, dan lijkt het glas steeds voller te worden. Dan gaat iedereen naar me glimlachen. Dan komt de zon toch tevoorschijn en stuurt Hedzy mij een lieve sms. De postbode komt een pakketje brengen.
Soms blijkt iets te kunnen waarvan je dacht dat lukt nooit! Een wereld aan parkeerruimte gaat open.

Hoezo past niet?
Korte verhalen
Ik heb nooit met plezier korte verhalen kunnen lezen. Ze zijn steeds maar weer afgelopen. Op zich is dat niet erg, maar ik ga er snel en gehaast van lezen. Alsof het ‘af’ moet. Met een novelle heb ik dat al minder en met een roman heb ik er helemaal geen last van. Omdat ik me kan onderdompelen? Mezelf verliezen? Omdat het verhaal me draagt, misschien…
Ik word door een vriendin een winkel binnen gelokt met wierook en kristallen bollen en boeken. Ik sta daar en blader wat. Ik koop dingen voor in de tuin die in de boom moeten hangen en een kadootje om op te sturen. Ik heb een grasgroen boekje in mijn hand. Vierkant, met een harde kaft waarin foam is verwerkt. Bijna zoals een kinderboekje dat mee mag in bad.
Ik sla het open, tegen wil en dank. Omdat het groen is en zacht. De titel is niet erg aanlokkelijk. ‘Mindfulness reminders’ van Rob Brandsma. Ik verwacht een zweverig soort ‘Liefde is..’.-spreuken. Van die dingen waar ik haast van krijg. Nog meer haast dan van korte verhalen.
Ik begin in het midden. Op elke bladzijde staat inderdaad een spreuk. Van de eerste raak ik van slag. ‘Angst voor morgen komt een dag te vroeg’ Ik denk na. (Ik zal me deze spreuk na drie keer lezen pas herinneren. En dan ook nog als ‘de angst voor morgen komt altijd een dag te vroeg.’ Twee woorden teveel. Opeens is het geen opmerking meer, maar een klacht.) Ik lees er nog een ‘Wat ik zo fijn vind aan het verleden is dat het voorbij is’. Hmm… vind ik niet. Het beste van het verleden is dat het altijd bij me blijft en me helpt te maken wie ik wil zijn. Ik lees door om te kijken of het een mooi of een raar boekje is.
‘Als je denkt dat je verlicht bent’ (ik schrik een beetje bij het woord ‘verlicht’ maar zet me er in het kader van mijn onderzoek overheen) ‘ga dan eens een week bij je ouders logeren’. Ik moet lachen. Ik weet niet precies wat verlichting is, maar nu kan ik me er iets bij voorstellen. ‘Je hoeft je gedachten niet te volgen’ laat mijn oordeel doorslaan naar ‘mooi’, en ‘door niet te oordelen schep je stilte in je geest’ geeft de doorslag. Het is niet verwoord zoals ik het zou doen. Bovendien is op elke opmerking is iets aan te merken. Het bijzondere is dat dat niet per se hoeft. De spreuken hoeven niet ‘waar’ te zijn. Ze laten me denken over mezelf.
Ik koop het en laat het inpakken. Kadootje voor mijn schat. Hoe eng het ook is om een spreukenboekje te geven, ik wil de ruimte en de mogelijkheden die het boekje mij geeft om buiten gewoontes te denken graag met hem delen. Ik vertrouw op zijn eerlijkheid en mijn liefde voor hem om daarmee om te kunnen gaan. Toch vertel ik mezelf alvast: Als hij het boekje raar vindt wijst hij je niet af hoor Kimmie.
Ik hoor iets vallen…
je kent het wel, zo’n helder, bijna tinkelend geluid van iets dat per ongeluk uit iemand’s broekzak valt. Ik hoor dat, en kijk. Ik ben ver weg, en zie een jongen van het geluid af en naar mij toelopen. Hij is netjes gekleed, zwart, fors, een jaar of 25.
Ik kijk naar hem, hij niet naar mij. Hij heeft iets in zijn hand, het lijkt wel een boekje. Daar kan inderdaad gemakkelijk iets uitgevallen zijn. Ik loop naar de plek van het geluid toe, pak op wat daar ligt. De kleuren van een briefje van 50 vliegen me tegemoet. Heel even denk ik: “Boy, wat een geld heeft hij laten vallen!” Ik roep: ‘Hey!” en wuif met mijn vondst. Daarna twijfel ik. Het voelt als plastic. “Is het wel echt? Nee, natuurlijk niet.” Maar toch, de jongen loopt terug, mijn kant op, en ik geef hem zijn eigendom terug.
“Hier, die heb je laten vallen.”
“Wat?”
“Deze is van jou…”
“Ja, die wou ik dus kwijt!”
Hij pakt het aan en steekt het in zijn zak. Hij mokt.
Ik kijk hem verbaasd aan. Hij kijkt terug: “Ja, dat is zo’n ding voor tussen een boek, weet je, dat je weet waar je bent.”
Ik ben volkomen uit het lood geslagen. De woorden landen niet. Opeens moet ik lachen. Ik stap op de fiets en hoop dat hij de volgende keer als hij zijn troep op straat gooit weer zo’n aardige dame op leeftijd tegen komt die hem zijn verloren spullen terug brengt :-)
Ik glimlach de hele weg naar huis. Iedereen glimlacht terug. Lekker.
2-head
Voor de website van de Hunze schreef ik twee stukjes over Aignwies. Een voordat de 2-head begon en een erna. De tweehead is een wedstrijd voor 2-persoons boten. Het is op de Amstel en hij is 7,5 kilometer lang. Stroomopwaards, heb ik me laten vertellen.
Voor:
Historie: Vorig jaar roeiden ze als deel van NSNM in een C4. Dineke en Kim wilden meer en harder en verder. En vaker. Vorig jaar mei besloten zij als dubbeltwee verder te gaan. De vuurdoop was de IPR (de Pinksterwedstrijden in Delfzijl) in de Dubbel en Dwars. Dineke was de Dubbel, Kim de Dwars. In het verlengde van die gedachte is de ploegnaam ontstaan: Aignwies (Gronings voor eigenwijs). Aignwies in de Dubbel en Dwars. De sfeer was gezet :-)
De wedstrijd op de IPR ging zo goed dat ze besloten om door te gaan in de dubbeltwee. Ze hebben in september de Eemhead geroeid (6 kilometer in Amersfoort) en daar een tijd neergezet waarmee de 2-Head gestart kan worden.
Coaches zijn Karel Engbers en Stefan Wijnholds (de laatste omdat Aignwies nu ook samen met Quinten vaart).Doelstelling: Aignwies wil graag een lekkere wedstrijd roeien. Ideale omstandigheden zijn leuk, maar als ze tempo 26 vasthouden en helemaal kapot over de finish komen kan waarschijnlijk het doel niet gemist worden: niet als laatste over de finish komen. Ze proberen om 33:45 te roeien, dat is 4:30 per kilometer. Als dat lukt, hebben ze goed geroeid, samen. Dan zijn ze tevreden.
Na:
Tijdens het oproeien hebben we haast. Te laat vertrokken. De stopjes doen we maar even alleen in ons hoofd. Ik roep achterom: Denk aan stopje 1. En elke keer na de uitpik: ’1′…’1′…’1′. Het hoogspoelen gaat mis omdat we in een bocht zitten wanneer we vanuit tempo 27 hoogspoelend kracht willen zetten. Het oproeien is zwaar en duurt lang. We komen vermoeid over de start.
We liggen 3 kwartier achter de startlijn. Het is koud. En nat. Dan mogen we. We gaan rustig weg. Het doel was om 4:30 te roeien. “Kim, je hebt geen haast” zeg ik tegen mezelf. Ik heb vanaf augustus tot twee weken geleden niet meer op slag gezeten. (Nu we met Quinten meetrainen voegen we ons naar hun opstelling). Ik vind het spannend en spreek mezelf moed in. “Hou tempo 26 aan, dan kunnen we nog trappen”. Als het hoger wordt, dan vergeten we te roeien.
We starten rustig en klimmen in bochten naar 30, zakken dan uit tot 27. We trappen een stevige medium plus. Dineke stuurt als een volleerd coureur. We hebben van tevoren het filmpje op de site bekeken. Nee, geanalyseerd en besproken zelfs. De voorbereiding was goed.
We laten een boot aan de binnenkant passeren. En blijven rustig. Dat gaat goed. Onder de Rozenoordbrug roept Dien: Tweeeneenhalvekilometer! Ik zeg: “Moetnog (puf) Ofalgedaan (puf)?” Ik huiver bij de gedachte dat we pas 2,5 hebben gedaan. Ik denk dat nog 5 er niet in zit. “Moetnog!” Ik denk: “wow! het gaat goed.” We trappen door. En door. En door.
De laatste paar honderd meter zijn killing. Ik probeer niet te gaan liggen in de boot, ‘Rugswing’ roep ik naar mezelf en blijf veren. Ik hoop dat we er zijn. Ik hoor iemand door een toeter roepen ‘Door!’ en hou terstond op met trappen. Ja, wat wil je, het doet zeer :-)
We hebben een goed gevoel. Karel is trots op ons. We zijn blij. Achteraf stelt de twaalfde plaats teleur, maar doet de scherpe tijd (4:12,26 per kilometer) ons zeer veel deugd. Volgend jaar weer. Ik heb er nu al zin in.