Diep!
Mooi weer. Veel wolken. Harde wind. Takken bewegen, lucht is blauw met grijze slierten. Ganzen vliegen over. Als ik omhoog kijk dan val ik. Er wordt er een beetje bang van. Soms zijn luchten zo.
Als ik naar beneden kijk zie ik een zachte groene deken van gras. Met gaten. Hele diepe donkere olieachtige gaten. Ik maak ze zelf, die gaten. Toch ben ik er een beetje bang voor. Ik zou banger moeten zijn voor de zachte groene deken. Dat is blauwalg. Daar wil je niet op liggen.
Ik probeer er van weg te roeien. Dat lukt natuurlijk niet. Ik probeer niet in de diepte te kijken. Als je niet naar beneden kijkt is er geen hoogteverschil. Voor het eerst ben ik bang om om te slaan. Ik ken het gevoel wel. Als ik naar een zeilboot kijk heb ik het al. ook zeilboten die niet om kunnen slaan. In de skiff heb ik het nooit. Het is namelijk heel moeilijk om te kapseizen in een skiff. Pas als je je riemen loslaat kun je het voor elkaar krijgen.
Als ik niet verder roei, zijn er geen diepe gaten meer. He… met een beetje doorzettingsvermogen kun je daar een wijze les uithalen. Hoe harder je vlucht hoe groter hetgeen wordt dat jouw achternazit. In ieder geval in je eigen hoofd. Dat had de docent tijdens formele semantiek niet moeten merken, dat ik dit soort vergelijkingen maak: als a dan b volgt uit als niet a dan niet b.
Als ik roei zijn er diepe gaten dus als ik niet roei zijn er geen diepe gaten. Dat hoeft niet waar te zijn. Immers, er kan iemand anders voorbij roeien, of een vis maakt een sprongetje. Ja, dat doe ik. Ik stel me voor dat alle diepe gaten gemaakt zijn door vissen die een sprongetje maken.
Ik roei verder en geniet van de lucht en de wind en het water.