Zoek
June 2013
M T W T F S S
« May   Jul »
 12
3456789
10111213141516
17181920212223
24252627282930

Archive for June, 2013

Dit is een dag…

… waarop alles kan.

Buiten regent het. Al drie dagen. Ik sta op. Eerst Schatje knuffelen. Muziek. Ik wordt namelijk wakker met “won’t you meet me at the gates to the garden” in mijn hoofd. Spotify geeft me wat ik wil. Ik voel me vrij en sterk. Kan doen wat ik wil. Dan ga ik achter mijn painting station zitten. Die groene cloak toch maar zwart maken. Gisteren twee soorten grijs gekocht voor de highlights. Had er ook een kwastje bij moeten kopen. De eerste cloak lukt goed. Af.

Ik schuif een stoel op en zoek een aantal stukjes van de puzzel bijelkaar. Ze passen. Mijn gedachten gaan over wat ik zou willen doen vandaag. Thee drinken bij Lotte, puzzelen, online pokeren, verven, canto ostinato luisteren, playlist maken met vrouwelijke singer/songwriters zoals Mazzy Star en Cat power, boek lezen met de poes op schoot, Neverwinter spelen. Beschuit met aardbeien eten. Naar buiten kijken en mijmeren. Glas wijn drinken. Staat nog een heel lekkere in de koelkast met minstens 1 glas erin.

Ik ga in de stoel zitten, met om me heen thee, boeken, broodje, dekentjes, kussens, iPad, telefoon, laptop, en de poes. Nee, poes vergeten. Opstaan. Poes zoeken. Ligt onder t bureau. Nieuw plekje. Zotte kat. Ik pak hem op. Zijn motortje gaat aan. Zet hem neer, ik in de stoel, roep ‘Kom maar’, en wenk. Gaatie naar buiten. Nou, dan mag de laptop op schoot. Tot de poes terug is.

Mijn dag kan niet meer stuk. Het is tien uur in de ochtend.

Fijn!

Geluk zit in met een jas aan over de markt lopen op een lauwe dag. Ik koop 6 groene asperges en vijf hollandse snijbonen. Twee maïskolven en een handje sugar snaps. Ik zie een heerlijk stoofmaaltje ontstaan. Ik koop olijven, couscoussalade en feta. Een koe-schaap-geit-kaasje (eerst proeven mag wel van die meneer) en olijven. Ook versgebrandde noten die later niet zo versgebrand kijken te zijn. Hedzy koopt ze altijd bij een andere kraam. Niet vergeten volgende keer. En twee doze aarbeien, want daar verlang ik al weken naar. Op waldkornbescuit met boter. Oh!

Ik wordt toegelachen en fijn weekeind gewenst. De geur van de bloemen die ik zou kopen hangt al in de lucht. Zelfs bij de viskramen is het goed toeven. Ik vraag om een stukje kabeljauwfilet. Krijg een veel te groot stuk. Het wordt druk in de vriezer.

Nu papa bellen en vragen of hij ook zin in een haring heeft. De uitjes apart. Harde witte broodjes erbij kopen. Op de fiets, wind in de rug, heuvel af naar papa. Het stoplicht blijft veel langer op groen dan gewoonlijk. En de volgende ook. Ik suis de stoep over en parkeer mijn fiets. We eten haring. Op harde witte broodjes. Met de uitjes apart. Met ijskoude melk erbij.

Schor

Nu ik alleen ben, praat ik thuis niet zo veel. Ja, je vraagt je af hoe het kan… Als je het de poes vraagt zegt hij vast wat anders :-0

Ik ben ziek geweest, en ben mijn stem volkomen kwijt. Werken is moeilijk, want ik bel best vaak. Aan de andere kant van de lijn wordt vaak geschrokken gereageerd. Ze herkennen me niet, moeten nogmaals mijn naam vragen. Ergens verbaast me dat. Ik zie er immers niet anders uit als ik schor ben.

Als ik uitleg dat ik ziek was en daarom zo suf klink, zeggen de meesten: “Oh, dat geeft niets hoor!”. Waar ik dan weer om moet lachen. En dan weet ik weer dat lachen als je schor bent echt een slecht idee is. Ik klink als een Ezel. Als ik spreek kan ik de luchtstroom nog een beetje controleren. Dan hoor je sommige woorden wel en andere niet. Maar als ik lachen moet, dan komt het er met horten en stoten uit. Soms zo zacht als een kuikentje, soms zo hard als de claxon van een vrachtwagen. Ik stop acuut met lachen.

Ook prive bellen is geen optie. Ik word uitgelachen. Ik ben dus even heel erg op mezelf aangewezen. En op de mail. Want als ik type, ben ik niet schor. Als ik mail lees, en er niet bij zing, dan is er niets aan de hand. – Nu merk ik pas hoe vaak ik zing. En hoe fijn dat is als ik dat zonder inspanning kan doen.

Zo weinig mogelijk praten dus. Als je niet praat, dan merk je niet dat je schor bent. Ik tenminste niet. Ik vergeet het zelfs. Net als toen ik bij de kapper was geweest. Ik had mijn haar heel kort laten knippen. Als ik mezelf in een winkelruit zag of in de zijkant van een voorbijrijdende auto, een spiegel in een kledingzaak of zelfs de zonnebril van een tegenligger herkende ik mezelf niet. Als ik mezelf thuis in de reflectie van mijn beeldscherm zag, schrok ik. Zo schrik ik nu van mijn stem als de telefoon gaat en ik opneem.

Poffertjes

Twee weken geleden rende ik in Nijmegen mee met de Marikenloop. Vijf kilometer door stad en bos. Mooi parcours. Er doen ongeveer 12000 mensen mee. Druk is het. Maar de start is goed geregeld: we worden door een trechter geleid die opeens open gaat 5 meter voor de start. Ik ren met een collega en een vriendin van haar. De collega denkt dat ik haar eruit ga rennen. Na 500 meter zwaai ik naar haar. “Doei!” roep ik nog. En ik val terug. Ze gaat er met haar vriendin vandoor. Huhuh, ik haar eruit rennen. Ze is 23! En lang. En sterk.

Tijdens het rennen denk ik: “Waarom doe ik dit eigenlijk? Ik vind rennen niet leuk. Ik ben geen renner. Ik ben te dik en te klein en te oud en mijn conditie is te slecht”. Ik loop achter twee agenten. Meiden van de sportopleiding van de politie. Ik probeer mezelf af te leiden. Docenten moeten altijd net iets beter zijn dan hun leerlingen. Als ik deze meiden kan bijhouden, kan ik dus harder lopen dan de gemiddelde agent. Kan ik een bank overvallen en ontsnappen. Lopend. Maar wat doe ik dan met die tas met geld? Als ik die bij me heb, ben ik weer te langzaam. Nou, geen bank overvallen dan. Ondertussen lopen de meiden op me uit. Sowieso geen goed idee dus.

Ondanks de 25 kilometer skate van twee dagen eerder en de 17 km wandelen van de dag ervoor, ren ik toch 5 kilometer in 32:20. Ik ben eigenlijk wel tevreden. Het is leuk om samen met mijn collega naar de VIP-tent te gaan, een broodje te eten, na te praten. Als ik koud word, rijd ik terug naar Groningen

~

Vandaag heb ik meegedaan aan de ladiesrun in Groningen. Fijn dat ik om half twaalf op de fiets mijn nummer kan ophalen. Ik fiets over het parcours. Word een beetje moedeloos als me opvalt hoeveel van t parcours omhoog gaat. Nu bedenk ik me pas dat als ‘t een rondje is, ik net zoveel omhoog als omlaag loop. Geitje.

Om half twee is de start. Ik verf nog even wat poppetjes met mijn sportkleren al aan en ijn numme rop mijn buik gespeld. Om tien over één rij ik naar de markt. Parkeer mijn fiets, stop mijn jas en joggingbroek in mijn fietstas en wandel naar de start. Nog 5 minuten. Lekker. Ik ga tussen de andere vrouwen in staan, want de wind is koud. De start is heel druk. Ik kan niet lekker weglopen. Moet me inhouden. Maar goed ook, want halverwege ben ik moe. Na driekwart ben ik dood. Het rennen valt me zwaar. Ik denk ongeveer hetzelfde als twee weken geleden. “Ik hou niet van rennen – Wat gaat t lekker – Ik ben geen rennen – Wat loop ik soepel – Ik ben te dik – Wat fijn dat ik bijna niet gegeten heb – Ik wil niet meer”. Zo gaat dat als ik positief wil blijven tijdens iets vervelends.

Na de finish ga ik tegen een tent zitten en drink een halve liter water. Volgens mij heb ik 31:29 gelopen. Cool! En dan komt t moment dat ik merk dat ik alleen ben. Wat nu? Ik kan t met niemand delen. Ik heb bijna een minuut sneller gelopen dan twee weken geleden. Kan alleen maar SMS-en. Kan niet naar huis gaan en me laten vertroetelen. Of stoer en opgewonden vertellen wat ik onderweg gezien heb: “Een meisje op schoenen met verende beugels eronder, en dat ik haar bij kon houden. Dat ik dacht dat ze misschien kunstbenen had, maar dat ze echt waren. Dat ik een tijdje naast een mooie zwarte vrouw heb gerend, en haar wilde vragen: “Gaat ie lekker?” Dat ik bijna omver ben gelopen door iemand die heel hard naar de finish wilde, dat de koplopers bij de A-brug waren toen ik op 2,5 kilometer was. Dat ik geen water heb gedronken tijdens t rennen (doe ik ook niet als ik zomaar een rondje loop) . En nog meer onzin die me op de tong ligt.

Ik sta in de rij bij de massage en hoef met niemand rekening te houden. Dat geeft me hoop. Maakt mij niet uit hoe lang t duurt. De massage is heerlijk. En pijnlijk. Ik heb in beide kuiten een gespannen spier. Als ik de masseur (lekker!) vraag of hij er plezier van heeft me pijn te doen, zegt hij “Ja!” en lacht naar me. Gek jong.

Dan ben ik weer verdwaald. Wat ga ik doen? Zoveel mensen en ik voel me alleen. Ik zie de pipopannekoekkraam en loop erheen. Ze hebben Poffertjes. Poffertjes. Poffertjes. Ik krijg mijn portie gratis omdat er een oud-collega werkt. Ik geniet. Ze zijn zo lekker zoet en luchtig en vol smaak. En nog een heeeel klein beetje ongaar van binnen. Ik hou van deze poffertjes zoals van een perfect gekookt ei. Het wit helemaal hard, de buitenkant van de dooier zo geel als gulden regen in de schaduw en het binnenste stroperig en oranje. Diep oranje. Zo lekker zijn deze poffertjes ook.

Opeens heb ik niemand meer nodig. Ik sta op de markt, heb gerend, geniet van de poffertjes en mijn losse kuiten. Mensen glimlachen naar me. De zon breekt door.

Ik kom thuis en de poes zegt: “Ben je daar weer? Wat leuk!” Ik zeg “Ja, bubbed, ‘t molje is er weer”. Hij vertelt over dat hij buiten was en dat die dikke rat weer langs kwam, maar dat hij hem heeft weggekeken. Ik maak een kop koffie. Luister naar prachtige muziek van Leonard Cohen en Nick Cave en schrijf een blog.

Ja, ik heb genoeg aan mezelf. Ik geniet van mijn vriendje, mijn vrienden, mijn familie. Ik zou niet zonder ze willen. En ik ben genoeg van mezelf. Vandaag wel.

Alleen wonen

Nadat ik vijfentwintig jaar (naar boven afgerond) samen heb gewoont ben ik nu voor t eerst alleen. Woon ik nu voor t eerst alleen.

Wat is dat fijn zeg! Net zo fijn als samenwonen. Dat had ik nooit gedacht. Ik verwachtte dat het eng was en eenzaam en dat het me vervelen zou. Maar nee. Vooral in de ochtend alleen wakker worden is fantastisch. En in een leeg huis komen na een avond met vrienden, dat ook.

Ik zit nu in de loveseat waar Miekemuis en ik gisteren even in zaten. Ik kan hier ook heel goed met de poes in zitten. Voeten op de poef, Capucchino op de leuning, laptop op schoot. Poes binnen handbereik om de verdwaalde aaitjes op te vangen. En voor ik t weet is t laat in de middag.

Ik heb zoveel heerlijke mensen om me heen dat ik nooit verlegen hoef te zijn om een fijne avond. Dat scheelt. En ik hou van mijn werk, de poes, mezelf. Dat scheelt nog meer. Ik gebruik mijn telefoon om met onbekenden spelletjes te doen, met bekenden te chatten als ze niet in de buurt zijn, en om te bellen met verre vrienden en familie.

Geluk is hier. En nu. En ik voel het. Nu.

Schatje

Dat mijn kat Schatje heet is niet zo erg. Het past bij hem. Hij is een schatje. Misschien dat het voor de buurkaters een reden is om hem uit te lachen, maar Schatje kan daar wel tegen. Hij bekijkt het gewoon van de andere kant: de buurpoezen vinden hem aantrekkenlijk en zijn naam past zo goed bij hem. Ze willen allemaal met hem sjansen. En ook wel meer… Maar dat geven ze in t openbaar niet toe. Dat gaat allemaal heimelijk. In de struiken achter de flat. Zoals we vroeger brommers gingen kijken, zo laten zij elkaar spinnetjes zien.

En dan schept Schatje op over de muis in de kamperfoelie. Dat hij precies weet waar die zit. Dat hij die muis zo bang gemaakt heeft dat hij nooit meer naar beneden durft. En die poezen luisteren met open bekkies. Bewonderend. Zo stoer en dan toch Schatje heten. Zie je wel, het kan wel.

Nee, het ergste is als we naar de dierenarts moeten. Dan zitten we daar te wachten. Schatje is een heel klein katje dan. Bang en onrustig. En dan komt de dierenarts met zijn grote handen. Staat in de wachtkamer en zegt met zijn zware bas: “Schatje Alders”.

Ik kijk beschaamd om me heen, want zo heet ik immers niet. Ik heet Kim Alders. Schatje is voor intimi. En voor de poes. En de poes heet ook niet Schatje Alders. Die heet Schatje. Zonder achternaam.

Maar misschien was Schatje zonder Alders nog erger geweest. Bij de dierenarts.

Statistical data collected by Statpress SEOlution (blogcraft).